24-06-10

Twee gedichten van Aart van der Leeuw uit de eerste druk van Opvluchten uit 1922


    VOOR HET VENSTER


Als knaap placht ik in 't schemeruur
Aanvang der zomernachten,
Voor 't raam te zitten in getuur
En onbeschrijflijk wachten

Een voetstap klonk; dat oogenblik
ook mijn bezinning onder,
Diep in een vloed van zoeten schrik
Om 't zich vervullend wonder.

Bij elk omhoog gevlogen woord,
Lachend op straat gesproken,
Vond ik een hartewensch verhoord,
Een knop in mij ontloken;

Totdat mijn ziel vol bloemen stond,
En ik, de geur-doorwoelde,
Niets dan het bloeien van mijn grond,
En 't zo bedekt-zijn voelde.

De jaren gingen, doch die vreugd,
Van oogst te zijn èn aarde,
Kwam nimmer weder, naar mij heugt,
Als ik door 't venster staarde.

Tot nu, deez' avond voor mijn raam,
Wijl stem en stap weerklinken,
Ik in dit smachten zonder naam
Opnieuw mij mag verzinken.


Maar ànders dan het blinde kind,
Want zie, ik vouw de handen,
En dank den meester die mij mint,
Zaaier der bloemenlanden.

*    *    *    *    *

DE BODE

Geen, die den bode welkom heet,
Wanneer hij, hoog in in blinkend ijzer,
Zijn speer laat zinken voor den keizer
En ongenoodigd tot hem treedt.

Geen huisman, dien hij niet verschrikt,
Wanneer hij, moe an weêr en wegen,
Bij 't ruischen van den najaarsregen,
Om herberg tegen 't venster tikt.

En toch, hoe stovend zwelt de druif,
Hoe schijnt zich loof en ooft te drenken
In 't galnzen van zijn gastgeschenken:
Een korenhalm, een witte duif.

Uit: Opvluchten 1922; eerste druk 
Verschenen bij C.A. Mees, Santpoort.

Voor meer gedichten van Aart van der Leeuw, zij 
hier verwezen naar onze bijdrage op de redactioneel aan dit weblog gelieerde
Tempel der Dichtkunst.Nog twee gedichten van dezelfde schrijver kunt u lezen op de site Kunst en cultuur, eveneens door te klikken.
Een artikel over de vondst van het boek in kwestie is te 
vinden op de site 
Over oudere boeken.


 

 

 

De commentaren zijn gesloten.